Op het rapport van je kind zie je termen als ‘onderweg naar 1F’ of ‘onderweg naar 1S’. Als ouder vraag je je vast af: Wat betekenen deze cijfers en letters eigenlijk?
In dit artikel leg ik duidelijk uit wat referentieniveaus zijn, wat 1F, 1S en 2F betekenen, vanaf welke groep ze op het rapport staan en hoe ze het schooladvies beïnvloeden. Zo begrijp je waar je kind staat, hoe je het kunt ondersteunen en welke vragen je tijdens een oudergesprek kunt stellen. Zo begrijp je beter wat deze niveaus betekenen voor de ontwikkeling van je kind en het schooladvies.
Referentieniveaus in het kort
Wat betekenen 1F, 1S en 2F?
1F is het basisniveau dat bijna alle leerlingen moeten halen. 1S (rekenen) en 2F (taal) zijn hogere streefniveaus.
Wanneer krijgt een kind een referentieniveau?
Vanaf groep 6 wordt een eerste inschatting gemaakt. In groep 8 wordt het niveau officieel vastgesteld via de doorstroomtoets.
Waarom zijn referentieniveaus belangrijk?
Ze laten zien of een leerling voldoende basisvaardigheden heeft en helpen bij het schooladvies voor de middelbare school.
Inhoudsopgave
- Wat zijn referentieniveaus voor taal en rekenen op de basisschool?
- Referentieniveaus en kerndoelen
- Hoe referentieniveaus op school gebruikt worden
. - Wat betekenen 1F, 1S en 2F?
- Wanneer beginnen leerlingen met deze niveaus?
- 1F en 1S bij rekenen
- Niveau 1F bij rekenen
- Niveau 1S bij rekenen
- De vier domeinen van rekenen
. - 1F en 2F bij taal
- Het fundamenteel niveau voor taal: 1F
- Het streefniveau voor taal: 2F
- De vier onderdelen van taal
. - Waarom zijn referentieniveaus ingevoerd?
- Een meetlat voor vaardigheden
- Rol van de Inspectie van het Onderwijs
- Waarom referentieniveaus nog meer handig zijn
. - Vanaf welke groep zie je de referentieniveaus op het basisschoolrapport?
- Groep 1 t/m 5
- Groep 6
- Groep 7
- Groep 8
- Leerlingen die meer aan kunnen dan 1S of 2F
. - Wat als een leerling extra ondersteuning nodig heeft om 1F te halen?
- Extra ondersteuning op school
- Ontwikkelingsperspectief (OPP)
- Praktische ondersteuning door ouders
. - Kunnen leerlingen nog doorgroeien na de basisschool?
- Doorlopende niveaus
. - Veel gestelde vragen over referentieniveaus
1 Hoe worden referentieniveaus bepaald bij toetsen?
2 Moeten referentieniveaus op het rapport staan?
3 Wat is het verschil tussen vaardigheidsscores en referentieniveaus?
4 Hoe weet een school of een leerling richting 1F of 1S groeit?
5 Hoe hangen referentieniveaus samen met het schooladvies?
6 Hoe belangrijk zijn referentieniveaus voor het schooladvies?
7 Wat betekent het als mijn kind 1F niet haalt?
8 Hoe kan ik mijn kind helpen om 1F of 1S te halen?
9 Wat betekent het als mijn kind 1S of 2F haalt?
10 Kan mijn kind verschillende referentieniveaus hebben?
– Samenvatting referentieniveaus
– Over de auteur
Wat zijn referentieniveaus taal en rekenen op de basisschool?
Referentieniveaus laten zien wat leerlingen tijdens hun schoolloopbaan moeten kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen. De overheid heeft deze niveaus vastgesteld zodat duidelijk is welk niveau leerlingen ongeveer zouden moeten halen.
Alle referentieniveaus samen, van basisschool, middelbare school en beroepsonderwijs, vormen het referentiekader. Het referentiedader is dus een doorlopende leerlijn voor de beheersing van belangrijke basisvaardigheden. Het beschrijft welke taal- en rekenvaardigheden leerlingen op verschillende momenten in hun schooltijd moeten beheersen.
Referentieniveaus en kerndoelen
Referentieniveaus en kerndoelen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze vullen elkaar aan als het om kwaliteit van onderwijs gaat. Waar referentieniveaus meten wat leerlingen daadwerkelijk hebben geleerd, omschrijven kerndoelen wat scholen tijdens de lessen moeten aanbieden.
Maar het één is niet helemaal los te zien van het ander. De referentieniveaus zijn ingevoerd om het niveau van basisvaardigheden te verhogen en om meer duidelijkheid, samenhang en meetbaarheid in het onderwijs te brengen. Voor het onderwijs zijn referentieniveaus daarom ook een aanvulling op de kerndoelen. Dat komt ook omdat kerndoelen vrij algemeen en referentieniveaus veel concreter omschreven zijn. Zo vormen ze samen een mooi systeem om de kwaliteit van het onderwijs te volgen en positief te beïnvloeden.
Hoe referentieniveaus op school gebruikt worden
1 Ontwerpers van methodes en toetsen nemen zowel de kerndoelen als de referentieniveaus als uitgangspunt. Op de basisschool zijn lesmethodes voor taal en rekenen dus gebaseerd op zowel het verplichte aanbod (= kerndoelen) als op het bereiken van de omschreven prestaties (= referentieniveau). Doordat uitgevers zowel kerndoelen als referentieniveaus als uitgangspunt nemen bij het vormgeven van hun lesmateriaal, wordt er tijdens de dagelijkse lessen op school stap voor stap gewerkt aan de vaardigheden die nodig zijn om de referntieniveaus te behalen. De referentieniveaus worden getoetst tijdens de halfjaarlijkse niet methode gebonden toetsmomenten, bijvoorbeeld met CITO, DIA, IEP of Boom toetsen.
2 Daarnaast zijn referentieniveaus niet alleen een maat voor geleverde prestaties, maar worden ze ook gebruikt om de gewenste beginniveaus van de verschillende type middelbare scholen te omschrijven. Zo kan worden vastgesteld of een groep 8 leerling kan doorstromen naar VMBO basis/kader/gemengd, naar VMBO-t/MAVO, of naar HAVO of VWO.
3 Referentieniveaus helpen scholen ook om van individuele leerlingen :
. = de ontwikkeling tijdens de schoolloopbaan te volgen.
. = sterke punten en aandachtspunten te herkennen.
. = het onderwijs waar nodig passend te maken.
4 Als laatste gebruikt de Inspectie van het Onderwijs referentieniveaus om de kwaliteit van het onderwijs op scholen te volgen.
Wat betekenen de referentieniveaus 1F, 1S en 2F?
Binnen de referentieniveaus in het basisonderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen het fundamentele niveau en de streefniveaus. Deze niveaus geven aan met welk reken- en taalniveau de leerlingen hun overstap naar de middelbare school maken.
Het fundamentele niveau is het minimale niveau dat door vrijwel alle leerlingen behaald moet zijn, als zij de basisschool verlaten. Op dit niveau kunnen leerlingen omgaan met de basisvaardigheden in taal en rekenen, die nodig zijn om op de middelbare school verder te kunnen leren. Het niveau 1F kun je ongeveer vergelijken met het niveau die gemiddelde leerlingen aan het eind van groep 6 of in groep 7 bereiken.
Naast het basisniveau zijn er ook streefniveaus. Deze niveaus zijn bedoeld voor leerlingen die meer aankunnen. Scholen proberen zoveel mogelijk leerlingen deze niveaus te laten behalen, maar dat lukt niet bij iedereen.
Wanneer beginnen leerlingen met deze niveaus?
Het werken aan referentieniveaus begint al vroeg op de basisschool. Vanaf groep 3 werken leerlingen stap voor stap aan de doelen die uiteindelijk leiden tot 1F. Veel leerlingen halen dit niveau in groep 7, waardoor zij daarna verder kunnen groeien richting 1S of 2F.
Referentieniveaus 1F en 1S bij rekenen
Voor rekenen wordt op de basisschool onderscheid gemaakt tussen:
1F = fundamenteel niveau
1S = streefniveau
Deze niveaus gelden voor zowel het regulier als het speciaal basisonderwijs. Een uitzondering vormen leerlingen in het onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (ZML) en meervoudig gehandicapte leerlingen (MG).
Niveau 1F bij rekenen
Het niveau 1F is het minimale niveau dat vrijwel alle leerlingen aan het einde van de basisschool zouden moeten beheersen. Voor sommige leerlingen – bijvoorbeeld leerlingen die later naar het praktijkonderwijs gaan – wordt dit niveau misschien pas later in hun schoolloopbaan bereikt.
Niveau 1S bij rekenen
Het niveau 1S is het streefniveau voor rekenen. Op dit niveau worden rekenopgaven complexer, abstracter en minder routinematig. Leerlingen werken bijvoorbeeld met grotere getallen, moeten meerdere rekenstappen gebruiken om tot een goed antwoord te komen en moeten hun oplossingsstrategie kunnen uitleggen. Er worden dus meer inzicht en redeneren gevraagd.
De vier domeinen van rekenen
Binnen rekenen zijn vier belangrijke domeinen vastgesteld. Samen vormen deze domeinen de basis van het rekenonderwijs op de basisschool.
Getallen: gaat over het begrijpen van getallen, het rekenen met hele getallen, breuken en decimalen.
Verhoudingen: gaat over procenten, breuken en verhoudingstabellen.
Meten en meetkunde: gaat over maten zoals lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd en geld, maar ook over ruimtelijke vormen.
Verbanden: gaat over het lezen en begrijpen van tabellen, grafieken en diagrammen.
Referentieniveaus 1F en 2F bij taal
Op de basisschool wordt voor taal onderscheid gemaakt tussen: 1F, het fundamenteel niveau en 2F, het streefniveau. Deze niveaus gelden voor zowel het regulier als het speciaal basisonderwijs. Een uitzondering vormen leerlingen in het onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (ZML) en meervoudig gehandicapte leerlingen (MG).
Het fundamenteel niveau voor taal: 1F
Net als bij rekenen is 1F het basisniveau dat leerlingen aan het einde van de basisschool minimaal zouden moeten behalen. Op dit niveau kunnen leerlingen bijvoorbeeld een eenvoudige teksten lezen en begrijpen, korte teksten schrijven en deelnemen aan gesprekken.
Het streefniveau voor taal: 2F
Voor taal is 2F het streefniveau. Dit niveau is vergelijkbaar met 1S bij rekenen. Leerlingen die dit niveau behalen kunnen bijvoorbeeld complexere teksten lezen, moeilijke informatie beter verwerken, duidelijkere en uitgebreidere teksten schrijven.
De vier onderdelen van taal
Binnen taal worden vier onderdelen onderscheiden. Bij elk van de onderdelen geldt: Hoe hoger het referentieniveau, hoe meer zelfstandigheid, inzicht en nauwkeurigheid van leerlingen wordt verwacht.
Mondelinge taalvaardigheid: luisteren, spreken en gesprekken voeren.
Lezen: het begrijpen van informatieve teksten, verhalen en andere soorten teksten.
Schrijven: het schrijven van berichten, e-mails, verhalen of verslagen.
Taalverzorging en begrippen: spelling, grammatica en woordenschat.
Waarom zijn referentieniveaus ingevoerd?
In het onderwijs bestonden al kerndoelen. Dat zijn de doelen die beschrijven welke leerstof scholen moeten aanbieden. Maar er was behoefte aan meer. Referentieniveaus ontstonden vanuit de vraag: Wat moeten leerlingen uiteindelijk echt beheersen? Om die vraag te kunnen beantwoorden zijn de referentieniveaus ingevoerd.
Een meetlat voor vaardigheden
Referentieniveaus zijn dus eigenlijk een soort meetlat, die de hele schoolloopbaan met de kinderen meegroeit. Referentieniveaus laten zien welk niveau leerlingen tijdens welke onderwijsfase hebben bereikt. Ze zorgen voor een doorlopende leerlijn van basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Referentieniveaus zijn dus cumulatief opgebouwd: Een hoger niveau bevat ook alle vaardigheden van de niveaus eronder.
Referentieniveaus spelen tijdens de basisschoolperiode, de middelbare school en op het MBO een rol. Aan het eind van elk schooltype wordt het referentieniveau met een officiële toets vastgesteld. Voor de basisschool betekent dit de doorstroomtoets in groep 8. Deze toets bepaalt met welk referentieniveau leerlingen doorstromen naar het voortgezet onderwijs.
Rol van de Inspectie van het Onderwijs
De Inspectie van het Onderwijs gebruikt referentieniveaus voor het ‘onderwijsresultatenmodel’. Dit is een overzicht waarin – per school – de door de leerlingen behaalde gemiddelde toetsscores worden vermeld. Hiervoor worden de individuele leerling scores op de niet methode gebonden toetsen als CITO, DIA, IEP of Boom gebruikt. In plaats van alleen naar gemiddelde of eindtoetsscores te kijken, wordt ook gekeken naar:
= hoeveel leerlingen 1F behalen
= hoeveel leerlingen 1S of 2F behalen
Minimaal 85% van de leerlingen moet het niveau 1F halen. Voor het hogere niveau 1S/2F verschilt het verwachte percentage per school. Dat hangt onder andere samen met de schoolweging, die rekening houdt met de achtergrond van leerlingen.
Waarom referentieniveaus handig zijn
1 Scholen mogen zelf kiezen welke doorstroomtoets ze gebruiken in groep 8. Ze kiezen bijvoorbeeld voor de CITO, DIA, IEP of Boom. Elke toets kent eigen vaardigheidsniveaus met bijbehorende schooladviezen, wat vergelijking moeilijk maakt. Omdat alle eindtoetsen referentieniveaus meten, kunnen de toetsresultaten toch worden vergeleken.
2 Referentieniveaus maken het daardoor ook mogelijk om resultaten van verschillende leerlingen/klassen/scholen voor zowel rekenen als taal gemakkelijk te vergelijken.
Voor scholen is het handig dat ze gemiddelde scores van klassen onderling kunnen vergelijken, om zo tot actiepunten te komen, waarmee ze hun onderwijs kunnen verbeteren.
3 Referentieniveaus helpen scholen ook om de ontwikkeling van individuele leerlingen tijdens hun schoolloopbaan goed te volgen. Er wordt gekeken in hoeverre een leerling een bepaald niveau beheerst. Referentieniveaus maken zichtbaar waar de sterke punten liggen en waar extra aandacht nodig is. Op basis daarvan kan het onderwijs worden aangepast, zodat het beter aansluit bij de behoeften van de leerling. Zo dragen referentieniveaus ook bij aan passend onderwijs.
Vanaf welke groep staan referentieniveaus op het basisschoolrapport?
.
Veel ouders vragen zich af wanneer referentieniveaus zichtbaar worden op het rapport. Het korte antwoord: Ze zijn vooral bedoeld als eindniveau voor groep 8, maar scholen werken er al veel eerder naartoe.
Groep 1 t/m 5
In de onder- en middenbouw ligt de nadruk vooral op het leren van de basisvaardigheden, zoals leren lezen, spellen en rekenen. Vanaf het moment dat kinderen leren lezen, schrijven en rekenen wordt er stap voor stap gewerkt aan de vaardigheden die uiteindelijk nodig zijn om niveau 1F of 1S/2F te halen. Scholen volgen de ontwikkeling van leerlingen met een leerlingvolgsysteem.
Een leerlingvolgsysteem bestaat uit verschillende onderdelen die samen de ontwikkeling van een leerling in beeld brengen. Het omvat observaties van gedrag en werkhouding, methodegebonden toetsen die aansluiten bij de lesstof, en niet-methodegebonden toetsen om prestaties objectief te meten. Twee keer per jaar worden er op elke school niet methode gebonden toetsen afgenomen, zoals de CITO, DIA, IEP, Boom-toetsen. Deze toetsen meten in groep 3 t/m 5 vooral basisvaardigheden en zijn daarom nog niet direct gekoppeld aan referentieniveaus.
Door alle gegevens uit het leerlingvolgsysteem te combineren, krijgt de school een compleet beeld van de voortgang en behoeften van de leerling.
Groep 6
Vanaf groep 6 kunnen de niet methodegebonden toetsen vaak een eerste inschatting van het referentieniveau maken. Dit is ook het moment dat de meeste scholen het referentieniveau voor het eerst op het rapport vermelden. Als ouder lees je dan bijvoorbeeld dat je kind ‘richting 1F groeit’.
Groep 7
In groep 7 worden referentieniveaus steeds belangrijker. Op het rapport lees je dan bijvoorbeeld dat je kind op het niveau van 1F scoort. Of dat het richting 1S/2F groeit. Maar de referentieniveaus worden niet meer alleen gebruikt om de van de ontwikkeling van een leerling te volgen. Eind groep 7 wordt op de meeste scholen een pré-advies gegeven. Het leerlingvolgsysteem helpt de leerkracht om in te schatten welke middelbaar schoolniveau het best passend gaat zijn. Referentieniveaus worden vanaf dan dus ook gebruikt als voorbereiding op het schooladvies.
Groep 8
Na een paar maanden groep 8 worden voor de laatste keer de niet methodegebonden toetsen als CITO, DIA, IEP, Boom afgenomen. In het rapport wordt ook deze keer een inschatting van het referentieniveau vermeld. De leerkracht bespreekt met ouders en hun kind of het pré-advies blijft zoals het eind groep 7 was, of dat het deze keer wat moet worden bijgesteld.
Vervolgens maken de leerlingen in groep 8 de Doorstroomtoets. Dit is een wettelijke verplichting. Op deze manier wordt officieel vastgesteld welk referentieniveau een leerling aan het einde van de basisschool heeft bereikt. Elk type middelbare school heeft een eigen begin referentieniveau. Zo kan worden vastgesteld of een leerling kan doorstromen naar VMBO basis/kader/gemengd, naar VMBO-t/MAVO, of naar HAVO of VWO. Uiteraard weegt het beeld dat de leerkracht van een kind heeft voor het uiteindelijke advies mee.
Leerlingen die meer aankunnen dan 1S/2F
Leerlingen die zich tijdens de tweede helft van de basisschool ontwikkelen richting 1S of 2F krijgen vaak een middelbaar schooladvies richting HAVO of VWO. Er is ook een groep leerlingen die nog meer aan kan dan niveau 1F of 1S beschrijft. Wanneer een leerling deze streefniveaus al op de basisschool behaalt, bieden taal- of rekenmethodes vaak ook leerstof boven het niveau van 1S aan. Als dat ontoereikend is en je kind toe is aan nog meer uitdaging, is er het verrijkingsmateriaal. Dat zijn werkboekjes of activiteiten met leerinhoud die tegemoet komt aan de leerbehoefte en ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen die de streefniveaus behaald hebben. Vanuit de overheid worden geen eisen gesteld aan verrijkingsdoelen, maar scholen vinden het belangrijk om ook aan leerlingen die meer aankunnen dan 1S/2F eisen te blijven stellen. Op deze manier kunnen alle kinderen het maximale uit zichzelf halen.
Wat als een leerling extra ondersteuning nodig heeft om 1F te halen?
Niet alle leerlingen ontwikkelen zich in hetzelfde tempo. Sommige kinderen hebben meer tijd of extra uitleg nodig om taal en rekenen goed onder de knie te krijgen. Daarom kijken scholen vaak rond groep 6 en groep 7 extra goed naar de ontwikkeling van leerlingen.
Extra ondersteuning
Door het leerlingvolgsysteem kan een basisschoolleerkracht zien of een leerling op koers ligt om minimaal referentieniveau 1F. Als dat nog niet zo is, kan de school een leerling bijvoorbeeld:
. = extra instructie in de klas geven
. = extra laten oefenen in kleine groepjes
. = een aangepast oefenprogramma geven
Voor deze leerlingen is het belangrijk dat scholen bewuste keuzes maken in het onderwijsaanbod. Het heeft bijvoorbeeld weinig zin om tot het einde van de basisschool vooral te blijven oefenen met moeilijke vermenigvuldigingen, terwijl er nauwelijks tijd over blijft om te leren omgaan met praktische vaardigheden als tafels, breuken en verhoudingen.
Soms krijgen leerlingen tijdelijk een programma dat meer gericht is op het oefenen van de basis, zodat zij de stap naar niveau 1F kunnen gaan maken. Het doel hierbij is dat leerlingen alsnog de belangrijkste basisvaardigheden leren voordat zij de basisschool verlaten
Onderwijsperspectief
Wanneer een leerling structureel moeite met taal of rekenen heeft, kan de school samen met ouders een ontwikkelingsperspectief (OPP) opstellen. Daarin staat welk niveau realistisch is en welke ondersteuning daarbij nodig is. Soms worden speciale leerroutes ontwikkeld die beter aansluiten bij wat leerlingen aankunnen.
Praktische ondersteuning door ouders
Voor ouders kan het spannend zijn wanneer een kind extra ondersteuning nodig heeft. Toch proberen scholen juist tijdig bij te sturen, zodat leerlingen zo goed mogelijk voorbereid zijn op het voortgezet onderwijs. Soms kan extra oefening thuis ook helpen. Denk aan:
. = samen lezen
. = oefenen met tafels
. = rekensituaties in het dagelijks leven gebruiken
Wanneer ouders merken dat hun kind blijft vastlopen, kan extra begeleiding soms verschil maken. Bij Slimmerik Online sporen we de kennishiaten op en oefent je kind die vaardigheden die nodig zijn om richting 1F of 1S te groeien.
Kunnen leerlingen nog doorgroeien na de basisschool?
Het is belangrijk om te weten dat er altijd leerlingen zullen zijn voor wie niveau 1F aan het einde van de basisschool te hoog gegrepen is. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor kinderen die later naar het praktijkonderwijs gaan. Of naar de VMBO-basisberoepsgerichte of VMBO kaderberoepsgerichte leerweg met leerwegondersteuning.
Referentieniveaus zijn dan zeker geen eindpunt. Ze laten alleen zien waar een leerling aan het einde van de basisschool staat. Referentieniveaus zeggen niets over wat een leerling daarna nog gaat leren. Na de basisschool blijven deze leerlingen hun taal- en rekenvaardigheden op de middelbare school verder ontwikkelen.
Doorlopende niveaus
De referentieniveaus vormen een doorlopende leerlijn van basisschool en vervolgonderwijs. Ze helpen om de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs soepel te laten verlopen.
Op de middelbare school bouwen leerlingen stap voor stap verder op wat ze al geleerd hebben. Het niveau dat een leerling aan het einde van de basisschool heeft, is dus vooral een startpunt voor de volgende fase van het onderwijs.
Voor rekenen gaat het in het basisonderwijs om 1F (fundamenteel niveau) en eventueel 1S (streefniveau). In het voortgezet onderwijs werken leerlingen in het VMBO naar niveau 2F en groeien HAVO en VWO leerlingen door naar 3F.
De leerlijn Taal gaat via 1F of 2F op de basisschool naar 3F voor HAVO-leerlingen en 4F op het VWO.
Veelgestelde vragen over referentieniveaus op de basisschool
1 Hoe worden referentieniveaus bepaald bij toetsen?
Scholen volgen de ontwikkeling van leerlingen met een leerlingvolgsysteem. Hierin zitten onder andere de resultaten van niet methodegebonden toetsen. De school kiest zelf welke toetsen ze gebruiken, zoals bijvoorbeeld: CITO, DIA, IEP of Boom. Het aantal vragen dat een kind goed beantwoord, wordt omgezet in een vaardigheidsscore. Dat is dus een getal dat laat zien hoe goed een leerling een toets heeft gemaakt. Deze score kan vervolgens worden vertaald naar een referentieniveau, zoals 1F of 1S/2F.
2 Moeten referentieniveaus op het rapport staan?
Nee. Basisscholen mogen zelf bepalen hoe zij toetsresultaten rapporteren. De Inspectie van het Onderwijs verplicht niet dat referentieniveaus op het rapport staan. Wel moeten scholen aan het einde van de basisschool kunnen laten zien welk niveau leerlingen hebben bereikt
3 Wat is het verschil tussen vaardigheidsscores en referentieniveaus?
Een vaardigheidsscore is de exacte uitslag van een toets. Een referentieniveau is de interpretatie van die score. Het laat zien hoe de prestaties van een leerling zich verhouden tot de landelijke vastgestelde doelen.
4 Hoe weet een school of een leerling richting 1F of 1S groeit?
Door meerdere toetsmomenten met elkaar te vergelijken kan een school zien hoe een leerling zich ontwikkelt. Met al deze resultaten in één grafiek krijgen ouders en scholen inzicht in de ontwikkeling van leerlingen op de langere termijn. Zo’n grafiek kan bijvoorbeeld ook laten zien of een kind richting 1f of misschien al richting 1S (rekenen) of 2F (taal) groeit.
5 Hoe hangen referentieniveaus samen met het schooladvies?
Referentieniveaus geven een indicatie van het niveau waarop een leerling werkt en de verschillende typen middelbare scholen hebben een referentieniveau waarop wordt gestart met de lesstof. Het schooladvies wordt echter nooit alleen op basis van referentieniveaus bepaald. Globaal geldt:
. = 1F → praktijkonderwijs of vmbo-basis
. = 1S / 2F → vaker adviezen richting vmbo-tl, havo of vwo
6 Hoe belangrijk zijn referentieniveaus voor het schooladvies?
Het schooladvies is gebaseerd op meerdere factoren. Toetsresultaten en referentieniveaus zijn daar één van. De basisschoolleerkrachten van je kind observeren bijvoorbeeld ook de werkhouding, de motivatie, de concentratie en de zelfstandigheid van je kind. Verder wordt ook de ontwikkeling over meerdere jaren meegenomen om tot het uiteindelijke advies te komen. Referentieniveaus vormen dus slechts één onderdeel van het totaalbeeld.
7 Wat betekent het als mijn kind 1F niet haalt?
Niet alle leerlingen ontwikkelen zich in hetzelfde tempo. Wanneer een leerling op de basisschool het referentieniveau 1F nog niet behaalt, betekent dit niet automatisch dat het kind niet succesvol kan zijn in het voortgezet onderwijs. Het onderwijs is er juist op gericht om deze vaardigheden in de jaren daarna alsnog te ontwikkelen. Sommige leerlingen behalen referentieniveau 1F pas als ze op de middelbare school zitten. Dat kan bijvoorbeeld gelden voor leerlingen met een advies voor praktijkonderwijs of VMBO-basis of kader.
8 Hoe kan ik mijn kind helpen om 1F of 1S te halen?
Ouders kunnen hun kind op verschillende manieren ondersteunen:
In het algemeen helpt het om interesse voor het schoolwerk van je kind te tonen. Zo hoor je meteen wat hij/zij moeilijk vindt. Het oefenen van (begrijpend) lezen kan bijvoorbeeld door voor te lezen, door samen hardop te lezen of door een tekst uit een boek of nieuwsartikel te bespreken. Het rekenen kan je thuis oefenen door bijvoorbeeld samen iets te bakken, door het recept eventueel te verdubbelen of door prijzen in de supermarkt te vergelijken.
Heeft een kind moeite met bepaalde onderdelen, zoals, hoofdrekenen tot 100, automatiseren van de tafels of het oplossen van verhaalsommen, dan kan gerichte oefening op twee manieren helpen. Ten eerste helpt gericht oefenen om beter te worden in dat ene ‘moeilijke’ onderdeel. Tegelijkertijd helpt gericht oefenen en jezelf verbeteren bij het bouwen aan meer vertrouwen.
Soms is het lastig om als ouder precies te zien waar een kind vastloopt. In dat geval kan extra begeleiding helpen. Bij Slimmerik Online kijken we bijvoorbeeld samen naar het spellingniveau van een leerling en oefenen we gericht de vaardigheden die nodig zijn om richting 1F of 1S te groeien. Dat kan door voor de Spelling Challenge te kiezen. Op onze website vind je meer uitleg over deze leuke uitdaging, die je meteen ook meer zicht geeft op het niveau Spelling niveau van je basisschoolkind.
9 Wat betekent het als mijn kind 1S of 2F haalt?
Leerlingen die zich tijdens de tweede helft van de basisschool ontwikkelen richting 1S of 2F krijgen vaak een middelbar schooladvies richting HAVO of VWO. Wanneer een leerling het streefniveau al op de basisschool behaalt (1S voor rekenen of 2F voor taal), is je kind toe aan extra uitdaging voor het vak waarin het uitblinkt. Hiervoor is verrijkingsmateriaal op de markt, dat tegemoet komt aan hun leerbehoefte en ontwikkelingsmogelijkheden. Vanuit de overheid worden geen eisen gesteld aan verrijkingsdoelen, maar scholen vinden het belangrijk om ook aan leerlingen die meer aankunnen dan 1S/2F eisen te blijven stellen. Op deze manier kunnen alle kinderen het maximale uit zichzelf halen.
10 Kan mijn kind verschillende referentieniveaus hebben?
Ja, dat komt regelmatig voor. Taal en rekenen ontwikkelen zich namelijk niet altijd in hetzelfde tempo. Een leerling kan bijvoorbeeld 1F voor taal en 1S voor rekenen scoren
Samenvatting referentieniveaus
Referentieniveaus helpen scholen en ouders om beter te begrijpen welk niveau een kind heeft in taal en rekenen. In het basisonderwijs zijn vooral drie niveaus belangrijk:
1F – het basisniveau voor zowel rekenen als taal
1S – streefniveau voor rekenen
2F – streefniveau voor taal
Scholen werken vanaf de eerste jaren op de basisschool stap voor stap naar deze niveaus toe. Vaak worden referentieniveaus pas vanaf groep 6 zichtbaar in het leerlingvolgsysteem, omdat resultaten dan beter te koppelen zijn aan landelijke doelen.
Aan het einde van groep 8 laat de doorstroomtoets zien welk referentieniveau een leerling heeft bereikt.
Belangrijk om te onthouden: referentieniveaus zijn geen eindpunt. Ze laten vooral zien waar een leerling op dat moment staat. In het voortgezet onderwijs blijven leerlingen hun vaardigheden verder ontwikkelen.
Voor ouders zijn referentieniveaus daarom vooral een hulpmiddel om de ontwikkeling van hun kind te begrijpen. Ze laten zien waar een kind al sterk in is en waar eventueel nog extra oefening nodig kan zijn.